Het vuur en de jager
Een man ging, in de tijd dat mensen hun rauwe vlees in de zon droogden om het makkelijker kauwbaar te maken, samen met een jongen op zoek naar voedsel. De man kreeg het nest van een kolibrie in de gaten, hoog op een richel in een rots. Hij gebood de jongen omhoog te klimmen en te kijken of er eieren in het nest zaten. De jongen, Botoque, probeerde tegen de rotswand op te klimmen, maar er waren geen uitsteeksel voor zijn handen en voeten. De man en de jongen zochten naar iets wat als ladder kon fungeren. Ze vonden een omgevallen boomstam. Botoque en zijn zwager begonnen, terwijl enkele kolibries boven hen rondcircelden, treden uit te hakken in het dode hout om een ladder te maken. Toen de ladder klaar was sleepten ze de boomstand tegen de rotswand en zetten de ladder er tegenaan. Botoque volgde met zijn ogen de lengte van de boomstam. Het topje van de ladder kwam maar net tot aan de richel waar het nest van de kolibries was. Het was een heel eind omhoog. Met grote tegenzin klom Botoque omhoog totdat hij de richel bereikte. Hij keek in het nest, maar het nest was helemaal leeg, op twee ronde stenen na. Hij riep naar zijn zwager beneden aan de ladder dat er geen eieren maar stenen in het nest lagen. Deze geloofde hem echter niet en begon woedend aan de boomstamladder te schudden. Botoque greep met beide handen de ladder beet en tegelijkertijd ontsnapten de twee stenen aan zijn greep... ze vielen naar beneden naar zijn woedende zwager en raakten hem aan de zijkant van het hoofd. De zwager wankelde naar achteren en liet de ladder los, die met een geweldige dreun op de grond viel en in tweeën brak. Botoque kon gelukkig net op tijd terug op de richel stappen. Hij zat nu gevangen boven op een richel zonder mogelijkheden om naar beneden te komen. Hij riep om hulp, maar zijn zwager deed net of hij hem niet hoorde en liep weg. Toen de zwager terugkeerde in het dorp vertelde hij niet de waarheid, maar zei hij dat Botoque niet naar hem geluisterd had en weggelopen was in het struikgewas.
Botoque zat dagenlang helemaal alleen op de smalle richel naast het lege kolibrienest. Hij was koud, hongerig en verloor zoveel gewicht dat zijn lichaam een vreemd gevormde schaduw wierp op de stoffige grond. Maar op een dag viel het oog van een passerende jaguar op de schaduw. Hij probeerde de schaduw te grijpen, maar elke keer trok Botoque zich terug zodat de schaduw verdween. De jaguar keek omhoog en zag Botoque. Hij vroeg waarom hij daar zat. Botoque vertelde het verhaal over zijn zwager. De jaguar klom omhoog en bood Botoque aan op zijn rug te klimmen, met hem mee te gaan en zijn zoon te worden. Botoque klom op de rug van de jaguar en al gauw kwamen ze aan bij zijn huis. In het midden van de vloer lag een brandend houtblok. Zoiets had Botoque nog nooit gezien en hij vroeg wat dat was. De jaguar legde uit dat het vuur was en dat hij daarop kookte. De mensen kenden het geheim van het vuur nog niet, zodat ze alles rauw aten. De vrouw van de jaguar, die zwanger was van haar eerste jong, kookte die avond een maaltijd op het vuur. Het was het beste maal dat de jongen ooit gegeten had. Hij ging die nacht voldaan en tevreden slapen, in de warme gloed van het vuur.
Toen hij de volgende ochtend wakker werd zag hij dat de jaguar voor hem een boog met pijlen had gemaakt -een wapen dat nog geen mens had gezien- en samen gingen ze op jacht. De jaguar en de jongen raakte zeer op elkaar gesteld. De vrouw van de jaguar had het echter niet zo op met deze nieuwe "zoon" in huis. Altijd als ze met Botoque alleen was ontblootte ze haar tanden en stak ze haar klauwen uit. Op een ochtend gromde zo zo kwaadaardig dat Botoque zijn pijl en boog greep en de vrouw van de jaguar in de poot schoot. Hij besefte dat het tijd was om terug te gaan naar zijn dorp en naar zijn eigen soort. Hij greep een stuk gebraden vlees en rende naar huis. Toen hij daar aankwam was zijn familie erg verheugd, behalve zijn zwager. Iedereen dacht dat hij dood was en daar verscheen hij opeens met een wonderbaarlijk verhaal over een jaguar en iets dat hij vuur noemde. Ze proefden van het gebraden vlees en gaven toe dat het het lekkerste was wat ze ooit geproefd hadden. Ze bewonderden de boog met pijlen en gaven toe dat de jaguar een slimme vent moest zijn. "Wij moeten zelf vuur hebben", kondigde een van de ouderen aan. Ze slopen door het bos naar het huis van de jager en namen een brandend houtblok mee terug.
De jaguar had vanuit de schaduw alles gezien en was heel teleurgesteld. Hij was alleen maar vriendelijk geweest en toch werd hij bedrogen. De jaguar bezwoer zichzelf dat hij nooit meer met pijl en boog zou jagen, maar zijn tanden en klauwen zou gebruiken. Hij zwoer ook dat hij nooit meer gebraden vlees zou eten, maar het voortaan rauw zou nuttigen. Het enige vuur dat hij nadien nog voelde was een vlammende woede jegens alle mensen.
Maar Botoque en zijn volk hadden nu de beschikking over vuur dat licht gaf in de duisternis. Ze konden hun vlees erop bereiden en het hield ze warm op koude avonden.